Xi en Trump: de topontmoeting waar niets zal gebeuren (mag je hopen althans)

Echt gezellig zal het niet worden op de topontmoeting tussen Xi Jinping en Donald Trump, gepland voor 24 september in Washington. Dat hoeft ook niet. De echte vraag (als alles loopt als voorgenomen) of er iets uitkomt. Topontmoetingen vergen lange voorbereiding door wat in deze wereld sherpa’s worden genoemd: gidsen van beide kanten die het echte werk verrichten zodat op de top zaken kunnen worden gedaan.

Niet alleen de sherpa’s, maar iedereen die de relatie tussen beide landen volgt, zal zich herinneren dat Donald Trump bij een vorige ontmoeting met Xi Jinping in oktober 2025, in Zuid Korea, een zeperd van jewelste haalde. Toen arriveerde Trump met in zijn achterzak de met veel bombarie aangekondigde importheffingen van tot wel honderd procent op Chinese goederen. Het was deel van zijn puur op transacties gebaseerd beleid, liefst één op één. Hij had er Europese landen en Canada al mee gedwongen tot soms beschamende deals. Maar Xi Jinping liet zich niet intimideren en gaf Trump een koekje van eigen deeg. Hij had wat troeven in zijn eigen achterzak.

Xi legde uitvoerbeperkingen op van de zeldzame metalen waarvan China zowat de enige leverancier ter wereld is. Aangezien die metalen nodig zijn voor allerlei productieprocessen buiten China had Xi een stevig wapen in handen om Trump van repliek te dienen. De president blies de terugtocht voor wat zijn importheffingen betrof, in ruil voor een belofte van Xi om de exportcontroles te beperken, in elk geval voor een jaar, dat wil zeggen tot november 2026. Mooi getimed om ze op deze topontmoeting opnieuw te bespreken.

Het was een beschamende aftocht voor Trump die hij in stijl probeerde te verhullen door zelfverzekerd te roepen dat Amerika binnen een jaar of zo China’s bijna-monopolie van die zeldzame metalen zou breken. China van zijn kant hield de vinger aan de pols en voegde in juni twee Amerikaanse bedrijven toe aan de exportbeperkingen, bedrijven die dat moesten proberen. Trump kon ook claimen dat hij de Chinezen had ‘overgehaald’ om meer sojabonen van de VS te kopen, maar ook dat was enkel een teken van zwakte, omdat er wereldwijd talloze andere leveranciers waren. Dat was immers de reden dat de Chinezen Amerika opzij konden zetten. Trump had de Chinese belofte nodig om Amerikaanse boeren die last hadden van de Chinese boycot weer in zijn kamp te krijgen. Het is een troefkaart die Xi bij de hand houdt.

Ondertussen speelt zich een wedstrijd af in het ontwikkelen en perfectioneren van halfgeleiders, een terrein waarop Amerika nog steeds een voorsprong heeft, zij het een die slinkt. De regering-Trump stond NVIDIA toe om bepaalde GPU-processors toch naar China te exporteren, in een deal waarin de overheid een deel van de inkomsten opstrijkt. Ook op het gebied van AI leidt de Verenigde Staten maar die voorsprong is kriegel genoeg voor Trump om zich fel te verzetten tegen enige controle op de snelheid waarmee AI wordt ontwikkeld en gebruikt. De opwinding daarover de afgelopen week, met de waarschuwing dat de mensheid wel eens uitgeroeid kan worden door op hol geslagen AI, zet Trump zelfs in eigen land in een wat geïsoleerde positie.

China zal zich niets laten voorschrijven door de VS, een akkoord in de meest vage bewoordingen over overleg is misschien de beste mogelijke uitkomst. Thomas Friedman, de orakel opinieschrijver van the New York Times denkt dat niet veel meer mogelijk is dan dit soort overleg tussen overheden en industrie in beide landen. Trump is onwillig: hij vindt het niet nodig om beperkingen, guard rails, op te zetten in de VS. De zorg erover is, in klassieke Trump-taal, een vals verhaal van de radicale Democraten. Hij wil, hoofdletters op zijn blog, Amerika’s voorsprong uitmelken voor wat die waard is. China van zijn kant lijkt zich meer zorgen te maken over mogelijke ondermijningen van het eigen regime door AI. Als agendapunt zal het waarschijnlijk wel opduiken, maar vooral om elkaar te verzekeren dat beide leiders zich zorgen maken over de AI-dreiging.

En dan is er natuurlijk Taiwan, altijd een gevoelig punt voor zowel de VS, dat de veiligheid van het land garandeert, als China dat volhoudt dat het eiland deel is van zijn eigen grondgebied. In mei, toen Trump Beijing bezocht, zei Xi Jinping nog dat de relaties tussen Amerika en China een ‘uiterst gevaarlijk terrein’ zouden worden als Trump de Chinese eisen voor wat betreft Taiwan zou negeren. Het bleef bij woorden. Een recente afspraak om Amerikaanse wapens te leveren aan Taiwan was voor Beijing vorige week reden om te dreigen de topontmoeting af te gelasten. Hier heeft Xi minder troeven te spelen, maar met een volatiele Trump die nooit goed begrepen heeft hoe het zit met Taiwan, kan Xi hopen op dommigheden die in China’s voordeel uitpakken.

Geopolitiek heeft China de afgelopen maanden geprofiteerd van Trumps onzalige oorlog met Iran. Niet alleen heeft het Amerika zelf bakken geld en onmisbare wapens gekost, en reputatieschade, het heeft ook de Amerikaanse focus op het gebied van de Stille Oceaan verzwakt. Vliegdekschepen en ander materiaal moesten richting Midden Oosten, wat voor Taiwan een kwetsbaar moment oplevert, met zorgelijke ogen bekeken door de andere bondgenoten van Amerika, met name Japan en Zuid Korea, die door Trump soms respectloos worden behandeld.

Of de sherpa’s onderwerpen op de agenda zullen zetten zoals de Chinese hulp aan Iran in het ontlopen van de economische oorlog die Amerika voert, of China’s steun voor Rusland in zijn oorlog met Oekraïne, kun je betwijfelen. Elk ervan onderstreept de zwakte van Amerika’s geopolitieke positie, zeker als Xi laat blijken, zoals hij zeker zal doen, dat China gewoon zijn eigen belangen behartigt en zich niets gelegen laat liggen aan wat Amerika daarvan vindt. Beter deze onderwerpen te negeren.

Voor wie meent dat het goed is dat leiders van vaak tegenover elkaar staande grootmachten elkaar ontmoeten maakt het niet veel uit wat de uitkomst is, zolang de heren niet met slaande deuren vertrekken. Menigeen zal opgelucht ademhalen als dat het geval is, gegeven Trumps onvoorspelbare en op onkunde gebaseerde recente optredens. De president zal wel ingetoomd worden: een beschamende vertoning op dit wereldtoneel kan hij er niet bij hebben met de verkiezingen voor het Congres om de hoek.

De treurige verveling rond Prinsjesdag en interessante opwinding rond AI

Het was een rustig week voor ondergetekende. Ooit was ik een politieke junkie, ook op het gebied van Nederlandse politiek. Ik volgde alles op de voet en zo rond Prinsjesdag hield me dat flink bezig. Het was in de tijd van Den Uyl en de perfide Van Agt/Wiegel combi. Je kon je nog druk maken over dit soort dingen. Later, begin deze eeuw, was ik nog actief in in D66, in een mislukte poging mee te helpen van de partij een progressieve links liberale club te maken. 

Ah well. Daar zitten ze (ik ben geen lid meer) nu in een combi met de vreselijke Yesilguz, de winnaar van de verkiezingen, ook al eindigde haar partij als derde. Dat D66 zich liet voorschrijven dat Pro was uitgesloten, volstrekt tegen de democratisch normen en de historische gewoontes in Nederland, zal dodelijk blijken. Pro zal ervan profiteren en D66 zal, opnieuw, uitgekleed achterblijven, maar vrolijk word ik daar niet van.

Maar terug naar het punt: het kon me deze week niet interesseren. Dat zal vast voor een deel leeftijd zijn. De punten waar het over gaat, hebben weinig invloed op mijn dagelijks leven. Fundamentele discussies zijn er niet.

Ik geef toe, dat is een slappe reden voor desinteresse maar wel een verklaring. Het enige interessante en iets dat me wel aangaat is de manier waarop rijke Nederlanders (zoals ondergetekende) worden ontzien en zelfs geholpen door de partij van de rijken, gesteund door de permanente misinformatie en stemmingmakerij van de foute krant van Nederland, tegenwoordig ook dominant in omroepland. Please, doe wat aan de vermogensongelijkheid, of beter gezegd, de vrijstelling van grote vermogens.

Wat een ongelooflijk en onwaardig gekakel en geneuzel afgelopen week, vooral van mensen die of een agenda hebben of om onduidelijke redenen ineens deskundig zijn. Maar het is, vress ik, een afspiegeling van de samenleving. Als dit is wat de gemiddelde Nederlander wil dan is dat wat zij krijgt. Johan Derksen als orakel. Jetten als premier. Ik voel mee met de laatstgenoemde maar krijg er geen warme gevoelens bij zoals die bij Den Uyl opkwamen.

Ter zake. Het andere debat deze week, veel interessanter, ging over AI en de mogelijkheid dat de mensheid ten onder gaat. Leek me wat overdreven maar ik moet erkennen dat ik onvoldoende van de werkzame elementen van AI weet om echt een oordeel te kunnen hebben. 

Pivot to China

Maar ik wil wel een boek pluggen dat probeert AI en andere technologie ontwikkelingen te passen in een visie op de internationale verhoudingen. Het komt zelfs met een advies in die verhoudingen, namelijk een Europese pivot to China. Zal zeker niet onomstreden zijn, maar de argumenten zijn interessant genoeg. Dat het boek is geschreven door mijn zoon Paul wil niet zeggen dat ik kritiekloos zijn verhaal accepteer. Belangrijker is dat dit verhaal er is. Lees het, zegt het voort, zo ik zeggen. Klik hier voor meer informatie van de uitgever.

Hier een podcast interview met Paul over zijn boek.

Een mooie uitzending van Panorama Zondag

Wellicht overschat ik u interesse in mijn persoon, mijn Amerika en andere persoonlijke zaken, maar graag wijs ik u op een mooie uitzending van Panorama Zondag op NPO 4. Daarin dit alles, gelardeerd met mooie muziek en verhalen die met Amerika te maken hebben.

Niet voor u? Dit weekend mijn voorschot op de ontmoeting van Xi Jinping en Donald Trump.

https://www.npoklassiek.nl/uitzendingen/panorama-zondag/019dd361-647e-7314-84bc-027c2eafef7b/2026-09-13-panorama-zondag

Denk hierover na op 9/11: Terrorisme loont

President Trump zal op 11 september niet aanwezig zijn bij de 25ste herdenking van de aanval op Amerika, althans niet bij het monument op de plek waar in 2001 het World Trade Center stond. Het zat hem dwars dat hij er niet mag spreken, omdat de afspraak altijd is geweest om 9/11-herdenkingen niet te politiseren. Trump blijft Washington, waar bij de herdenking van de gelijktijdige aanval indertijd op het Pentagon die beperking niet geldt.

Wat Trump zal zeggen, of hij zich kan inhouden om niet een uur lang te ratelen over van alles en nog wat, is minder interessant dan dát hij daar staat: als Amerika’s slechtste president ooit. In Trumps wereld is alles groter, beter, sterker en met meer goud bekleed, en inderdaad zal zijn eigen plek in de Amerikaanse geschiedenis enorm belangrijk zijn, met slechtere lange termijn invloed dan vrijwel iedereen, inclusief James Buchanan die het land de Burgeroorlog in leidde. 

Zonder 9/11 zou Trump niet president zijn. Natuurlijk, je weet niet wat er in een alternatieve geschiedenis was gebeurd, maar wel kun je vaststellen dat 9/11 het begin van het einde van Amerika’s leidende rol in de wereld markeert. De terreur van die dag was niet de enige factor, wel de doorslaggevende. Democratie stond al onder druk: in november 2000 had het Supreme Court het presidentschap cadeau gegeven aan de Republikein George W. Bush. In Florida moest het tellen gestopt worden op een punt dat hij 537 stemmen voorlag op de Democraat Al Gore, al had die landelijk gezien een half miljoen meer stemmen. Gore was een staatsman en legde zich erbij neer, maar het was de eerste fundamentele crisis van de Amerikaanse democratie. Twijfel ontstond, door Donald Trump in 2020 gemaximaliseerd en nu dagelijks door hem gevoed.

De high tech beurscrisis in 2000 had al voor een correctie gezorgd die het economisch optimisme van de late jaren negentig afstrafte. Wel liet president Clinton een begroting in evenwicht na, door president Bush meteen al om zeep geholpen door domme belastingverlagingen en vervolgens, door 9/11, dure onbetaalde oorlogen te voeren.

Internationaal leek Amerika op een hoogtepunt. Neoconservatieve haviken schetsen de wereld van na de Koude Oorlog als een unipolar moment: Amerika was de enige supermacht. Het was arrogante kortzichtige prietpraat, maar zij runden de Amerikaanse buitenlandse politiek met de insteek om Amerika’s macht ook te gebruiken. De uitnodiging daartoe was 9/11, een aanval die feitelijk de afkeer van Amerikaans beleid elders naar het thuisfront bracht. Je mag niet zeggen ‘Amerika kreeg wat het verdiende’, maar wie 25 jaar terugkijkt kan alleen maar vaststellen dat de reactie op 9/11, de uitnodiging om nog dieper in die afkeer te duiken, precies wat de aanvallers voor ogen hadden.

De aanloop naar 9/11 was al een voorbode van Amerika’s neergang. De adviseurs van president Clinton, die in het voorjaar van 2001 waarschuwden voor terrorisme van een ongekende aard, werden genegeerd om partijdige redenen. President Bush, niet een man van de daad, zat in augustus in op zijn ranch in Texas toen hij een rapport kreeg dat erop wees. Niemand deed iets. Het 9/11-rapport dat het Congres later presenteerde was keihard in zijn kritiek op zowat alle instanties die Amerika hadden moeten beschermen.

President Bush zette de droefheid en woede om in eenheid: zelden was Amerika eensgezinder dan na 9/11. En zelden werd die eensgezindheid sneller verkwanseld. Dat Bush het nodig vond om Afghanistan aan te pakken was te begrijpen. Dat de neoconservatieven, opgepord door de liegende vicepresident Dick Cheney, de kans schoon zagen om Amerika op het pad te zetten om de dictator van Irak, Saddam Hoessein, omver te werpen, was een ongelooflijke blunder.

Het zette Amerika op het pad van de eindeloze oorlogen in een regio waar het wel belangen had, maar niet zodanig dat dit soort activiteit nodig of zelfs maar nuttig was. 9/11 leidde tot de oorlogen in Afghanistan en Irak, beide door Amerika verloren. De kosten waren hoog, niet alleen in dollars en begrotingstekorten, maar vooral in verlies van aanzien, deels door de leugens en de incompetentie bij de uitvoering van de oorlogen. Donald Trumps onbezonnen oorlog met Iran niet meer dan een verdere fase in betrokkenheid bij het Midden Oosten, bij wat Amerikanen een ‘tar baby’ noemen: een plakkerige pop waar je, als je hem eenmaal vastpakt, niet meer loskomt. De erfenis van 9/11 werkt door tot de dag van vandaag.

Ondertussen werden de Bush-oorlogen gevoerd met het negeren van fundamentele mensenrechten en het schenden van Amerikaanse waarden. Marteling, samengevat in waterboarding en misdragingen van Amerikaanse militairen met gevangenen, om niet te spreken over eindeloze detentie in Guantanamo Bay, ondermijnden de aanspraak van Amerika op het verdediging van universele waarden. Ook hier is de lijn van 9/11 naar het heden van Donald Trump duidelijk te zien. Alles wat Amerika bewonderenswaardig maakte, is op drift geraakt.

Allemaal weten we dat het dagelijks leven door 9/11 fundamenteel is veranderd. De rijen voor de beveiliging op het vliegveld, de poortjes bij musea en andere openbare gelegenheden, de islamofobie, misbruikt door populistische volksmenners, zelfs de samenzwerings idioterie in de sociale media wereld: het is allemaal een direct gevolg van 9/11. We zagen dat de NAVO hulp bood onder artikel 5, dat een aanval op een land een aanval op allen is, een ervaring die nu naar de prullenbak is verwezen door de man die mede dankzij 9/11 opperleugenaar van Amerika is geworden.

Er is iets met goed doordachte terroristische aanslagen dat ons aan het denken zou moeten zetten. Terroristen bereiken vaak hun doel omdat degenen die ze willen treffen emotioneel, irrationeel en soms duister samenzwerend reageren op de aanval. Zoals Amerika zichzelf blijvend heeft ondermijnd door de reactie op 9/11, zo zien we Israël zichzelf kapot maken sinds 7 oktober 2023. Terreur is effectief. Waar Osama Bin Laden ook moge zijn, in zijn zeegraf of in het paradijs van martelaren, hij kan tevreden zijn. We leven allemaal in een wereld van na 9/11, een wereld hij in gang gezet heeft. 

De chronische schuldencrisis van de VS

Traditioneel beginnen Amerikaanse politieke campagnes op Labor Day, de eerste maandag in september. Door het geklungel van de regering-Trump, de ondoordachte, soms ronduit ridicule uitspraken van de president en een onzinnige oorlog met Iran lijken de Republikeinen daaraan slecht te beginnen. Er komt een probleem bij: de VS heeft te maken met een schuldencrisis. De Financial Times noemt het een chronische crisis.

Door Trumps beleid is de inflatie flink aan het stijgen. Daarnaast loopt het begrotingstekort nu toch echt uit de klauwen, het is inmiddels een niet vol te houden zes procent. Daardoor is de Amerikaanse staatsschuld opgelopen tot 40.000 miljard dollar, nooit vertoond buiten oorlogstijd. Het kost steeds meer om dat exploderend tekort te financieren: meer dan twintig procent van de belastinginkomsten gaat naar de betaling van rente op die schulden. Om dat allemaal te financieren moet de minister van Financiën staatsleningen uitgeven, maar ja, die zijn minder aantrekkelijk geworden en dus moet het land een premie betalen.

Natuurlijk is die onbezonnen oorlog met Iran een factor, maar historisch gezien zit de belangrijkste reden voor begrotingstekorten niet aan de uitgavenkant. Het probleem zijn steeds weer de inkomsten. De overheidsuitgaven stegen van 15,5 procent van het Bruto Nationaal Product in 2000 tot 19,9 nu. De overheidsinkomsten daarentegen daalden van 20 procent van het BNP in dezelfde periode tot 17,2 procent nu.

Het echte structurele probleem zijn de Republikeinen. Zij maken altijd een punt maken van begrotingstekorten, ze verwijten de Democraten hun hoge uitgaven en roepen om begrotingsdiscipline. Ze voeren er altijd campagne op en niet zonder succes. Amerikanen hebben een hekel aan belastingen, je kunt ze er altijd op aanspreken.

Maar in praktijk zijn het altijd de Republikeinen die tekorten veroorzaken door hun belastingverlagingen voor de rijken en ondernemingen. Donald Trump en zijn volgzame partij passen in een lange traditie. Het argument dat Republikeinen aanvoeren om belastingen te verlagen, namelijk dat ze hoge economische groei opleveren, is een leugen. Ga maar na: nooit groeide de Amerikaanse economie meer dan in de jaren vijftig en zestig, toen inkomens- en vennootschapsbelasting buitengewoon hoog was.

In de jaren zestig maakte president Kennedy een voorzichtig begin met het verlagen van de hoogste schijven, maar de anti-belastingbeweging (of beter: de anti-overheidsbeweging) kwam pas tot volle wasdom met Ronald Reagan. Hij kwam naar Washington om de overheid te verkleinen. Dat deed hij niet, wel verlaagde hij de belastingen voor de hoogste inkomens. Mede door de economische crisis van begin jaren tachtig liepen de tekorten snel op. Alleen was Reagan meer een pragmaat dan een ideoloog en hij verhoogde die belastingen weer toen het nodig was, zij het lang niet genoeg.

Nog los van de neoliberale trend die toen ingang vond en alle overheid wilde verminderen, deed de theorie opgeld dat als je de belastingen verlaagde de economie zo werd gestimuleerd dat de daardoor gegeneerde extra groei juist tot meer belastingopbrengsten zou leiden – de toen befaamde Laffer curve die dat liet zien. Daarnaast betoogde supplyside economics dat lagere belastingen, minder regulering en vrijhandel de sleutel waren tot groei en zo zichzelf zouden betalen. Het klinkt ongelooflijk, het was ook ongelooflijk. Het was een Republikeinse wensdroom, of, zo u wilt, een lang volgehouden leugen.

De tekorten stegen enkel maar. Pas in het eerste jaar van president Clinton werd er wat aan gedaan. Het werd hem afgedwongen, dat wel, en het frustreerde Clintons agenda, maar de Republikeinen die toen nog hamerden op de tekorten, kregen hun zin. Mede door het einde van de koude oorlog en door de bloei van de tech industrie leverde Clinton in 2000 een begroting af die in evenwicht was. Een ongekend fenomeen.

Het was niet besteed aan de Republikeinen. In 2001 greep George W. Bush (de jongere) meteen de kans aan om de belastingen voor de rijken te verlagen. Bush begon ook oorlogen in Afhanistan en Irak waarvoor hij de Amerikaanse burgers nooit de rekening presenteerde. De Republikeinen gingen gewoon hun gang. Bekend zijn de woorden van vicepresident Cheney toen hij daarop werd aangesproken: deficits don’t matter.

De belastingverlagingen van Bush, die tien jaar zouden gelden, werden in 2011 verlengd onder president Obama, maar dat werd hem opgelegd door een Republikeinse Congres. Opnieuw hadden ze liever lagere belastingen dan lagere tekorten. Het vervolg weten we ook: ondanks de tekorten verlaagde Donald Trump in 2017 opnieuw de belastingen op inkomens en voor bedrijven. De tekorten groeiden, vanaf 2021 nog versterkt door extra overheidsuitgaven door corona. Ra ra waarop de Republikeinen hamerden in 2024: juist de spilzucht van de Democraten.

In zijn tweede termijn was het eerste wat Trump deed, in zijn Big Beautiful Bill, de belastingverlagingen van 2017 permanent maken. En net als zijn Republikeinse voorganger begon ook Trump een peperdure oorlog met Iran die hij financiert met verdere tekorten. Minister Bessent van Financiën trad aan met de belofte het begrotingstekort te verkleinen. De poging van Elon Musk om de overheid te ontmantelen werd een totale mislukking en de beloofde economische groei is op zijn best twee procent, niet de beloofde drie procent.

Trump en zijn aanhangers roepen, net als de Argentijnse president (en Musk) om een kettingzaag om de uitgaven te verlagen. Juist Musk faalde faliekant. De werkelijkheid is dat er niet of nauwelijks ruimte is voor lagere overheidsuitgaven (en aan de horizon dreigt ook nog een pensioencrisis). De inkomsten moeten omhoog. Een logische eerste stap is die belastingverlagingen voor de rijken terug te draaien en de winstbelasting weer op niveau te brengen. Een vorm van vermogensbelasting, erfbelasting en het sluiten van allerlei sluipwegen om belasting te vermijden zouden ook op tafel moeten liggen.

Maar ook in de aanloop naar 4 november houden de Republikeinen vast aan hun eindeloos herhaalde mantra: minder overheid en lagere belastingen. Dat valt niet vol te houden. Minister Bressent probeert de gaten te vullen, maar zoals hij gemerkt heeft, is de geloofwaardigheid van de VS, ook op de wereldmarkten, behoorlijk afgenomen. Hopelijk krijgen de Republikeinen straks ook de politieke rekening gepresenteerd.

De corrumpering van het ministerie van Justitie

In het Amerikaanse politieke systeem heeft het ministerie van Justitie een dubbele rol: het is de hoeder van de Amerikaanse rechtsstaat en het vertegenwoordigt de regering. Tussen die twee is er altijd een zekere spanning, maar niet onder president Trump. Hij heeft duidelijkheid verschaft: de minister van Justitie is zijn persoonlijke jurist, zijn loopjongen, zijn belangenbehartiger. Sinds vorige week wordt die functie vervuld door Todd Blanche, de jurist die Trump verdedigde in de zaak van het zwijggeld voor Stormy Daniels.

Blanche weet waar hij aan begint. Zijn voorgangster Pam Bondi, vaak afgeschilderd als een ‘brown noser’ vanwege haar opkruipen tegen de president, kon ondanks haar hondentrouw vertrekken wegens onvoldoende agressie. Blanches benoeming liep nog bijna vast op het zogenoemde slush fund: 1,8 miljard dollar voor veronderstelde slachtoffers van ‘government lawfare’. Deze zaak was door Blanche gepromoot, in combinatie met een belastingdeal waarbij Trump en zijn familie zich niet meer druk hoefden te maken over mogelijke audits. De Republikeinse senatoren die geloofden dat deze deals nu voorgoed van de baan zijn kun je blijkbaar alles wijsmaken.

President Trump is niet de eerste die een meegaande, op zijn behoeften afgestemde minister wenst. John F. Kennedy benoemde zijn broer Robert als minister van Justitie. Dat had voordelen bij confrontaties met zuidelijke gouverneurs over segregatie en schendingen van de burgerrechten: Robert sprak namens de president. Het maakte het gemakkelijker om contact te houden met Marten Luther King en de burgerrechtenbeweging. Het weerhield Robert Kennedy er overigens niet van King te laten afluisteren door de FBI, een onderdeel van het ministerie van Justitie.

Richard Nixon benoemde zijn vriend en huisjurist John Mitchell tot minister van Justitie, vergezeld van een verzoek aan FBI-directeur Edgar Hoover om af te zien van een achtergrondsonderzoek. Mitchell eindigde in het gevang vanwege zijn rol in het Watergate schandaal. Hij werd in mei 1973 opgevolgd door de onbesmette Elliot Richardson die op zijn beurt beroemd werd door de Saturday Night Massacre, een historische confrontatie tussen de uitvoerende macht en het ministerie van Justitie als handhaver van de rechtsstaat. Nixon eiste dat zijn minister de speciale onderzoeker naar Watergate, Archibald Cox, zou ontslaan nadat die een een dagvaarding had doen uitgaan om om de bandopnames te verkrijgen die tot Nixons ondergang zouden lijden. Richardson weigerde, net als zijn onderminister William Ruckelshaus. Uiteindelijk was de derde man, Robert Bork, bereid Cox te ontslaan, maar Bork liet weten dat hij onmiddellijk zelf ontslag zou nemen. Op verzoek van de anderen bleef Bork uiteindelijk aan om het ministerie te beschermen tegen verdere aanvallen van de uitvoerende macht. Misschien is het goed hier nog even te memoreren dat vicepresident Vance onlangs opperde dat vandaag de dag Watergate nauwelijks een rimpeltje zou veroorzaken. Het probleem: hij heeft gelijk.

Nixon ging uiteindelijk toch ten onder in Watergate en sindsdien was het de norm dat het ministerie van Justitie op enige afstand moet staan van de president. Daar werd al aan gemorreld onder president Reagan, die zijn Californische vriend William French Smith benoemde als Attorney General. In zijn tweede termijn zette Reagan Edwin Meese, zijn trouwe adviseur in het Witte Huis, op deze post. Meese zat er toen het Iran-Contra schandaal aan het licht kwam, maar ontsnapte aan vervolging voor zijn rol (net als George Bush, de oude). George W. Bush benoemde in zijn ongelukkige tweede termijn Alberto Gonzalez, die tijdens de eerste termijn zijn raadsman was geweest. Gonzalez hield het niet lang vol, het Congres verlangde zijn ontslag. Er lijkt sprake van een patroon: sinds Kennedy hebben alleen Democratische presidenten de afstand met het ministerie weten te bewaren.

Trump heeft overal lak aan. Hij meent dat de regering-Biden hem onterecht vervolgde, weaponized the law, en ziet er geen been in om nu wraak te nemen door zelf Jan en Alleman die hem niet bevalt te vervolgen. En inmiddels heeft Trump het ministerie zodanig naar zijn wensen gesmeed dat Richard Nixon een kleine krabbelaar lijkt. Stuurde Nixon nog de belastingdienst op vermeende vijanden af, Trump eist simpelweg dat de minister zijn vijanden vervolgt en zaken tegen bevriende wetsovertreders laat vallen, dit laatste vaak na een bijdrage in zijn campagnekas of aan zijn bouwwerken. Het ministerie doet als bevolen.

De schade is groot en zal moeilijk te repareren zijn. De afdeling burgerrechten is uitgekleed. Witte boorden criminaliteit wordt niet meer vervolgd. Duizenden juristen zijn ontslagen of vertrokken. Trump heeft zichzelf en zijn familie vrijgesteld van belastingcontroles, en wil nog steeds een fonds van 1,8 miljard dollar voor veronderstelde ‘slachtoffers’ van ‘government lawfare’ noemde, inclusief de veroordeelde aanvallers van het Capitool die hij gratie verleende.

De FBI, onderdeel van het ministerie, wordt gerund door een incompetente zeloot met een hang naar luxe uitstapjes met zijn zingende vriendin. Beleidsmatig presenteert de pathetische Kash Patel zich als een trouwe marionet van de president, diens opdrachten uitvoerend al voor ze gegeven zijn. Agenten die ook maar iets te maken hadden met het onderzoek naar Trumps poging tot staatsgreep op 6 januari 2021 of anderszins naar de president en diens handlangers, zijn ontslagen. De activiteiten van het bureau zijn verlegd naar immigratie. Rechts extremisme wordt niet meer gevolgd. Expertise gaat verloren.

Het ministerie heeft nu moeite vacatures te vullen. Veel juristen vertrekken naar beter betalende banen in de privé sector nu een paar jaar op Justitie geen extra aanbeveling zijn voor hun carrière – integendeel zelfs. Openbare aanklagers, banen waarvoor je slimme mensen nodig hebt die bereid zijn te werken voor overheidslonen, zijn massaal vertrokken omdat ze soms onzinnige aanklachten moesten indienen. Ze schaamden zich voor de zwakte van veel zaken. Justitie werft nu direct op de universiteiten en biedt zelfs tekenbonussen.

Vertrouwen in de rechtsstaat is geschaad. Rechters vragen meer en meer verklaringen en bewijsmateriaal om te kunnen vaststellen of de claims van de overheid wel waar zijn. Ze dreigen zelfs met sancties als de overheidsjuristen de zaak vertroebelen of niet meewerken. Een aantal van door Trump naar voren geschoven ongeschikte openbare aanklagers zijn door de rechters afgewezen. Dat biedt hoop maar of het systeem overeind zal blijven onder het sloopwerk van Blanche en Trump, en mogelijk een opvolger als JD Vance, staat zeer te bezien.

Where evil meets evil

Een overpeinzing

Een aantal van de meest verwerpelijke types in de internationale politiek zoeken elkaar op in confrontatie in het Midden Oosten. Het kan nog uit de hand lopen maar als het adagium houdt uw vijand niet tegen als hij zichzelf probeert op te knopen iets waard is, dan zien we in die ongelukkige regio een prachtige show. We hebben daar geen vrienden, dat moet ons duidelijk zijn. Ik vraag me zelfs af of we er belangen hebben, afgezien van voorkomen dat autoritaire zelfingenomen heren de wereld in brand steken.

De grafdelver van Israël, Benjamin Nethanyahu, zet zijn tanden in Erdogan, die van het zwaar bevochten democratisch Turkije weer een autoritaire staat maakte, waar journalisten en politici worden opgesloten. De religieuze fanaten in Iran hangen als boksers in de elfde ronde om de nek van de blatende, mentaal gehandicapte vijand van de Amerikaanse democratie. Ze bombarderen elkaar, als het niet met bommen is dan met woorden. Laten we zeggen, ze verdienen elkaar, al mogen we mededogen hebben met de arme Iraanse bevolking. Trump spiegelde hen een nieuwe wereld voor, in plaats daarvan kregen ze ellende. De les is pijnlijk: wie op Trump vertrouwt komt altijd bedrogen uit.

Arabische moordenaars en corrumpeerders van alles wat ooit mooi was (kunst en voetbal, om maar iets te noemen) proberen zich de malloot in Washington, die ze eerst miljarden dollars rijker maakten, van het lijf te houden. Namens hen, althans dat zegt hij, maakt hij de regio nog onveiliger dan hij al was. In Egypte zit een brute dictator. In Syrië bombardeert Israël er op los, Libanon hebben ze al kapot gemaakt. Wie dacht dat de Balkan ooit een moeras was, zo’n regio met historische conflicten waar je maar beter een hek om kunt zetten om het ze zelf te laten uitvechten, ziet het kwadraat ervan in het Midden Oosten. Obama probeerde ervan af te komen, Trump is er weer met beide voeten ingesprongen. Het Midden Oosten, Israël, is voor Amerika een tar baby, zo’n kleverige pop waar je als hem aanraakt je handen niet meer vanaf kunt halen.

Democratic socialists in the picture

Het lijdt geen twijfel dat Democratische kiezers, of in elk geval een flink deel van hen, genoeg hebben van de gevestigde orde, of in elk geval van de traditionele, het midden opzoekende politici. Opeens praat iedereen over democratisch socialisme en kiezers stemmen op politici die onder die vlag varen, voorop de nieuwe burgemeester van New York, de populaire Zohran Mamdani. Hun radicalisme valt nogal mee: in Europese termen gaat het over gematigde sociaal democraten. 

Los van de niet opmerkelijke inhoudelijke aspecten – kosten van levensonderhoud, woningen, redelijk betalende banen en afkeer van zinloze oorlogen – roept het de vraag op waarom er in Amerika geen echte sociaal democratische partij is. Ooit was er een socialist die landelijk gezien in de bus blies: Eugene Debs haalde in 1912 zes procent van de stemmen. In 1920 moest deze fascinerende man vanuit de gevangenis kandideren omdat hij wegens zijn pacifisme door de regering-Wilson was aangeklaagd en veroordeeld. Bij deze laatste van zijn vijf kandidaturen voor het presidentschap haalde hij nog maar drie procent van de stemmen. Daarna heeft socialisme of democratic socialism nooit serieus meegespeeld in presidentsverkiezingen. Er waren wel progressieven maar die worden in Amerika worden meestal liberals genoemd.

De vraag blijft waarom eind negentiende eeuw overal in de geïndustrialiseerde wereld socialisme opkwam behalve in de Verenigde Staten. De klassieke analyse van dit fenomeen door Werner Sombart, zijn Why There is No Socialism in the United States, daterend uit 1906, blijft een mooi, klein meesterwerk – oorspronkelijk verschenen in het Duits. Er valt genoeg af te dingen op zijn analyse, maar het blijft historisch een interessant werk. Sombart gaf de aanzet tot de studie van Amerikaans exceptionalisme, later door politicologen als Seymour Lipset verder uitgewerkt.

Werner Sombart was een prominent Duits socioloog, die in 1904 uitgebreid de Verenigde Staten bezocht. Uiteraard is zijn boek gedateerd, maar zijn observaties blijven interessant. Hij vroeg zich af waarom het socialisme in Amerika niet doorbrak, terwijl de ‘objectieve voorwaarden’ daarvoor wel degelijk aanwezig waren. Sombarts belangrijkste stelling was dat Amerikaanse arbeiders niet vijandig stonden tegenover kapitalisme an sich. Velen van hen waren immigranten uit een gepolariseerd en verpauperd Europa, ze konden hun leven in de VS vergelijken met wat ze hadden achtergelaten. En ze waren er niet ontevreden mee. 

Daarnaast had de arbeider een min of meer positieve houding tegenover het Amerikaanse politieke systeem, oftewel, er werd niet geroepen om revoluties, veeleer om verkiezingen. Sinds president Jackson (1829-1837) was was het kiesrecht aanmerkelijk uitgebreid en de blanke arbeider had niet het gevoel buitengesloten te zijn. Binnen dat systeem was het echter uitzonderlijk moeilijk om een derde partij tot wasdom te laten komen. De twee partijen die sinds 1856 domineren, zijn en waren bijzonder goed in het absorberen van agenda’s van randgroepen en potentiële derde partijen, voldoende om de scherpe kantjes weg te nemen. Geen wonder dan ook dat de huidige democratic socialists liever opereren als een soort van actiegroep binnen de Democratische Partij, iets wat Bernie Sanders overigens al meer dan tien jaar doet. 

Een andere overweging, niet zozeer van Sombart maar historisch gezien, is dat de partijen als het erop aankwam wel degelijk beleid op de randen opzochten. In Sombarts tijd was het Theodore Roosevelt die een eerste bijsturing van het rauwe Amerikaanse industriële systeem realiseerde. De New Deal van Democraat Franklin D. Roosevelt schiep tijdens de Grote Depressie een soort van verzorgingsstaat, verder uitgebreid in Lyndon Johnsons Great Society in de jaren zestig.

Fascinerend gegeven de huidige ontwikkeling waarin kiezers zich steeds meer voelen buitengesloten, was Sombarts stelling dat Amerikaanse arbeiders feitelijk werden gecoöpteerd in het systeem doordat ze van de vruchten ervan profiteerden. De werkende klasse kreeg quasi-middenklasse overtuigingen. Cru gezegd in marxistische termen: er was onvoldoende Verelendung en te veel vals klassenbewustzijn. Arbeiders konden altijd hopen op verbetering.

Opwaartse mobiliteit nam in Sombarts boek slechts één paragraaf in maar juist het argument dat de krantenjongen miljonair kon worden, heeft tot veel latere studies geleid. De socioloog Ralph Dahrendorf noemde het ‘het kardinale punt in Sombarts briljante essay’. Lipset werkte het uit door te betogen dat in het algemeen de Amerikaanse samenleving meer open was dan de Europese. Sombart was sceptischer: hij beperkte zich tot de vaststelling dat dit vooral leidde tot het afzwakken van arbeidersbewustzijn. 

Ten slotte kwam Sombart met het frontier-argument. De arbeider die het niet beviel, kon gewoon verder trekken, ergens anders heengaan, ‘om te ontsnappen naar de vrijheid’. In de laatste alinea van zijn boek voorspelde Sombart dat al deze factoren ooit in hun tegendeel zouden verkeren en dat er dan wel degelijk socialisme zou kunnen ontstaan in de VS. 

Post-Sombart kun je natuurlijk vaststellen dat Amerika zijn eigen sociaal democratische ontwikkeling heeft doorgemaakt. Niet ideologisch maar pragmatisch, in de vorm van de New Deal en niet geleid door socialisten maar door Democraten en zo nu en dan ook door Republikeinen met visie. 

Het is vervreemdend om Sombart te herlezen nu er een president aan het bewind is die de jaren negentig van de negentiende eeuw als Amerika’s beste tijd ziet. Vervreemdend maar ook verhelderend. Want al die omstandigheden die Sombart aanvoerde waarom socialisme in Amerika niet van de grond kwam, zijn verminderd of niet meer relevant. Amerikanen zijn niet meer optimistisch, zijn altijd bang voor een ziekte of andere crisis, zien het sociaal vangnet ontrafeld door corrupte politici die nauw samenwerken met puissant rijke ondernemers. En de mobiliteit, zowel sociaal als geografisch, is minimaal.

Zou socialisme nu wel een kans krijgen, vraag je je af? Het blijft onwaarschijnlijk maar als je leest dat een meerderheid van de Amerikaanse jongeren wel oren heeft naar iets dat socialisme heet, moet je het niet uitsluiten. Of in elk geval niet een sociaal democratische variant die in Europese ogen weinig radicaals heeft. Zeker is dat die liefhebber van de jaren 1890, Donald Trump, het niet heeft begrepen als hij waarschuwt voor ‘communisme dat overal gefaald heeft’. Daarmee maakt hij die ontevreden kiezers niet meer bang. Het zou ironisch zijn als Trumps onverschilligheid en historische onbenulligheid een vorm van progressief beleid in het zadel kan helpen.

Wie overspeelt er nu weer zijn hand?

In elke oorlog keren kansen, komen er momenten dat een van de partijen een steek laat vallen of zijn hand overspeelt. Ik heb het gevoel dat Iran op zo’n punt is aangeland. Tot nu wist het land zich met succes te verzetten tegen Trumps eigen dumbo-moment, dat waarin hij dacht in een paar dagen Iran op de knieën te krijgen. Over momenten gesproken: Trump liet zich overhalen door Israëls tot de ondergang voerende premier Nethanyahu tot een uitstapje naar Iran. Hij negeerde zowat iedereen in zijn staf die meende dat wat Nethanyahu Trump wijsmaakte bullshit was en liet zich meevoeren.

Dat de Golf van Hormuz een probleem zou kunnen zijn werd niet onderkend (dat valt moeilijk te geloven) of niet belangrijk geacht. Een quickie, dacht de grote leider in Washington. We deden het met Venzuela, we doen het met Iran.

Dat het wegblazen van de totale leiding van een land waarmee je formeel niet in oorlog bent (er werd zelfs nog onderhandeld, net als trouwens bij de vorige ronde – geen wonder dat Iran Amerika niet vertrouwt) acceptabel beleid is, is in de Amerikaanse context niet eens ter discussie gesteld. Je doet dat gewoon. Er was ooit een ban op moorden door de Amerikaanse overheid, ingesteld na misdragingen van de CIA. In dit geval deden de Israelis, inmiddels Amerika’s minst geliefde vriend, het vuile werk, maar het was gewoon een moord met medeplichtigheid van Amerika. Het resultaat zou het allemaal rechtvaardigingen.

Enfin, zes maanden later zwabbert Trump alle kanten op, lijden de wereld en Amerikaanse burgers onder de gevolgen van zijn beleid, en is het einde van de oorlog nog niet in zicht. Sterker, er verschijnen steeds meer alarmerende analyses die de uitbreiding van deze oorlog koppelen aan Oekraïne, Rusland en China, en risico’s zien voor een wereldoorlog. De Amerikaanse Senaat, steeds bereid om zich te plooien naar de president, heeft hem niet tot de orde geroepen. Ook hier ging een post-Nixon regel, de War Powers Act, het raam uit.

Toen ik gisteren de koppen zag over nieuwe Iraanse voorwaarden, nadat Trump al een hele climb down had moeten maken nadat hij nog maar een week geleden de allerzwaarste bombardementen aankondigde, bekroop met het gevoel dat nu Iran zijn dumbo-moment meemaakte. Een uitzonderlijk sterke hand die je moet gebruiken om zo goed mogelijke voorwaarden voor een einde van de oorlog te bewerkstelligen, maar dan moet je het wel behapbaar blijven voor de kleine geesten in Washington. Geef Trump een veer om in zijn reet te steken, geef hem iets, al is het nog zo klein om zichzelf wijs te maken dat de oorlog een succes was, en hij gaat zich weer honderd procent bezig houden met het verfraaien van Washington en het verder zelfverrijken.

Ik hoop dat ik ongelijk heb. Dat het niet Iran is die nu zijn hand overspeelt.

In deze context wijs ik de geïnteresseerd lezer graag op een artikel in Foreign Affairs, het vakblad voor de wereld van Internationale Relaties. Deze warme dagen boden een gelegenheid om een achterstallige stapel Foreign Affairs weg te werken. Bijzonder interessante artikelen, onder andere een nu geleidelijk aan absurd optimistisch ogend verhaal van twee Israelische Nethanyahu-adviseurs dat een aardig inzicht geeft in het wensdenken dat daar plaats heeft.

Een fascinerend verhaal dat eruit sprong ging over chokepoints, een onderwerp dat toevallig ook afgelopen zaterdag werd aangeroerd door de beste columniste van de NRC, Carolien Gruyters. Zij verwees naar het boek Chokepoints: American Power in the Age of Economic Warfare van Edward Fishman. De korte versie van dit boek stond in een recente Foreign Affairs. Fishman legt uit wat chokepoints zijn, aan welke voorwaarden ze moeten voldoen, wat je eraan hebt, hoe je ze kunt uitspelen. Denk aan Straat van Hormuz, denk zeldzame metalen, NVDIA chips, de dollar als wereldvaluta.

Echte chokepoints, zegt Fishman, hebben drie eigenschappen. Een enkel land of een coalitie van landen bezit een dominant, geconcentreerd marktaandeel. Er zijn geen vervangingsmiddelen voor, in elk geval niet op de korte termijn. En het land of de coalitie kan zijn positie als wapen gebruiken op manieren die een asymmetrische druk opleggen, daarmee serieuze pijn toebrengend aan het doelwit met minimale schade voor henzelf.

De Straat van Hormuz is een heerlijk voorbeeld. Het blijft ongelooflijk dat de Amerikanen niet hebben gezien hoe dit zou kunnen uitpakken.

De Gruyter citeerde Fishman vanwege zijn betoog dat nu supermachten tegenover elkaar staan het idee verdwijnt dat er mondiaal afspraken zijn die gelden voor zowel de groten als de kleinen. ‘Als één grote de regels gaat ombuigen en daarbij over de kleineren heenwalst, gaat iedereen zich indekken – door te proberen minder afhankelijk van anderen te worden. Met zijn handelstarieven lokte Trump wereldwijd protectionisme uit.’, schrijft De Gruyter. Ze schrijft het in de context van de kippendrift (Yesulgoz weer vol op het orgel) over Cueta, maar ik kan het hele verhaal aanbevelen – choking points zullen nog vaak terugkomen, al of niet zo benoemd.

Nu ik toch bezig ben: lees ook het artikel over Taiwan, en zie waarom het onwaarschijnlijk is dat China het land aanvalt of in elk geval de zorgen daarover sterk overdreven zijn. Dennis Blair legt uit hoe China Taiwan zou kunnen benaderen en waarom er vooralsnog geen reden is voor paniek, hij vindt het idee dat China een militaire voorsprong zou hebben die dit gemakkelijk zou maken, overdreven. Lees het en inderdaad, het lijkt een stuk minder waarschijnlijk dat Xi zijn kansen zou wagen op een manier die tot succes zou kunnen leiden.

En als u dit soort artikelen interessant vindt, neem een abonnement. Voor 40 dollar heeft u een ongekend inzicht in wat de denkers op dit terrein hebben te melden.

Andere boeken die ik deze zomer las – just for the heck of it:

toevallig ook over Taiwan de winnaar van de Booker Prize:

Taiwan Travelogue door Yang Shuang-zi

Een ingenieus verhaal van een Japanse schrijfster die in 1938 een jaar in Taiwan verblijft, al een jaar of vijftig een kolonie van Japan. Ze krijgt gezelschap van een Taiwanese die de vertalingen doet en haar reis organiseert. Veel draait om voedsel en genieten.

De verteller zoekt vriendschap, misschien meer, met de vertaalster. Het thema is patroniseren. Denken dat je iemand in bescherming moet nemen, zonder dat die iemand daar om gevraagd heeft. De koloniale verhouding vindt zijn spiegel in de verhouding tussen de twee vrouwen.

Daarmee overstijgt het boek zijn Taiwan thema tot iets intermenselijks. Patroniseren kan onopzettelijk gebeuren en wel degelijk door de ‘beschermde partij’ als offensief worden ervaren. Een absolute aanrader. En dan heb ik nog niet eens over de intrigerende opzet: het zou een vertaling zijn van een herontdekte tekst door een Japanse schrijfster, met aantekeningen van de vertaalster in het Mandarijn en later in het Engels. Fascinerend. Een sensatie sinds de schrijfster en de vertaalster de Booker International Prize 2026 wonnen.

De zwevende wereld. De verbonden levens van Franz von Siebold en Kusumoto Oine door Annejet van der Zijl

Annejet van der Zijl is een van Nederlands favoriete schrijfsters. Elk boek is een bestseller nog voordat iemand een woord heeft gelezen, voordat er besproken is. Ik ben al een tijdje niet meer onder de indruk. Laat ik me beperken tot dit boek, dat zou gaan over Franz Von Siebold die zes jaar doorbracht in Dejima, de Nederlandse handelskolonie voor de kust van Nagasaki, begin negentiende eeuw het enige toegangspunt tot het van de wereld afgesloten Japan. Von Siebold bracht medische kennis naar Japan, en planten en botanische wijsheid naar Europa, ook al waren de uitstapjes naar het echte Japan beperkt.

Ik ga vaak naar het Siebold Huis in Leiden, ik was in Dejima, het kunstmatige eiland bij Nagasaki waar het verhaal van Siebold en het verhaal in dit boek zich afspeelt (nou ja, een deel van het verhaal). Wat mij betreft is het boek een mislukking. Het is saai geschreven, brengt de hoofdpersoon niet echt tot leven en ik heb het gevoel dat Van der Zijl op een gegeven moment heel veel tijd en energie in dit onderwerp had gestoken maar er geen acceptabel boekwerk van kon maken en het daarom heeft opgedikt met een geschiedenis van Japan.

Geen succes. Een kleinigheid (niet echt, want ook De Amerikaanse Prinses zat vol fouten) is dat het boek verkondigt dat de Amerikaanse onafhankelijkheid plaatshad in 1783. En, nog kleiner, er werd niet goud gevonden in Californië in 1849 maar in 1848 – de Gold Rush was in 1849). Het lijkt triviaal maar is er echt niemand bij haar uitgever die daarop heeft aangeslagen? Geen editor bij de hand? Kun je de rest van haar informatie vertrouwen? Als het je zou interesseren?

De geschiedenis van Dejima is veel mooier vertelt in meeslepende fictie door David Mitchell in The Thousand Autumns of Jacob de Zoet (In het Nederlands de Niet verhoorde gebeden). Pak liever dat boek.

De wisselwachter door Geert Mak

Geert Mak is ooit begonnen, denk ik, aan een boek over Harry Hopkins (misschien een PhD project, gezien zijn bibliotheek werk). Hij eindigde met een boek over de Roosevelts, specifiek het Witte Huis onder Franklin en Eleanor. Hopkins figureert eigenlijk vooral op de zijlijn, want Mak spreidt alle aantekeningen die hij uit de honderden biografieën van de Roosevelt groep heeft gelezen breed uit, vooral in verhalen over de sfeer in dat Witte Huis.De basis ervoor zijn de vele honderden biografieën over personen uit deze periode. We zien soms meer van Eleanor dan van Harry.

Er zullen vast liefhebbers voor zijn, de petit details geschiedenis, wat mij betreft is het een obese project. Wat is dat toch met die vuistdikke boeken waarvan je merkt dat ze gewoon slecht geëdit zijn? Los van dit inmiddels veelvoorkomende probleem vond ik het irritant dat Mak zichzelf erin schreef, gesprekken met kleinkinderen, archiefmateriaal waarvan hij meent niemand er ooit naar heeft gekeken (wat ik me van het materiaal van Lorena Hickok, Eleanors vriendin en mogelijk lover, niet kan voorstellen). Hij lijkt de indruk te willen wekken dat hij onderzoek heeft gedaan naar een braakliggend terrein – terwijl er over weinig historische periodes meer is geschreven.

Ik zag bij besprekingen dat Mak zo mooi huidige ontwikkelingen laat spiegelen in de jaren dertig en begin veertig. ik zag het niet zo. Er zijn te veel fantastische boeken over deze jaren en deze mensen om erg onder de indruk te zijn van de doctoraalscriptie die student Mak erover heeft geschreven. Ik weet het,er zijn liefhebbers voor, en ik hoop dat ze vinden wat ze hoopten te vinden. Mij viel het vooral tegen.

Bereid u voor op het Democratische gezicht in 2028

Ook al is het goed mogelijk dat ze in november de tussentijdse verkiezingen winnen, in veel opzichten lijkt de Democratische Partij een puinhoop. De analyse van de desastreuze nederlaag in 2024 stelde geen harde vragen en ontliep verantwoordelijkheden. De partij heeft geen leiders, een tekort aan fondsen, geen programma en de helft van de partij heeft nachtmerries over de dreiging van de progressieve vleugel die zich democratisch socialistisch noemt. Zorgwekkend, zeker, maar het zegt helemaal niets over de mate waarin de Democraten in 2028 het Witte Huis zouden kunnen heroveren.

Die kans is hoog en dat te zeggen is geen roekeloos optimisme. Ga maar na, alles wat hierboven staat, gold in 2015 voor de Republikeinse Partij. Ook toen al geen gebrek aan onzinnige ideeën en in dit geval reactionaire praat. Er waren gevestigde namen die president Obama wilden opvolgen. Marco Rubio, Lyndsey Graham en Jeb Bush, zoon van, waren de bekendste. En erger nog, in die tijd moesten de Republikeinen rekening houden met een sterke Democratische tegenstander, de toen nog winnend geachte Hillary Clinton. Trump veroverde de nominatie en iedereen dacht dat het daarmee wel bekeken was. We weten hoe het afliep.

In het Amerikaanse systeem krijgt een partij pas een gezicht als als er een persoon is die de partij vertegenwoordigt. Daar ontbreekt het aan bij de Democraten, maar na de verkiezingen van november gaat dat snel veranderen. Dan zullen de kandidaten om dat gezicht te worden over elkaar heen buitelen. Het is niets te vroeg om vast eens te kijken welke kant dat op kan gaan.

Drie Democraten hebben de afgelopen twee jaar nieuws gemaakt, maar geen van drieën zijn ze serieus te nemen. Kamala Harris, de treurige verliezer in 2024, schijnt nog steeds te denken dat ze in aanmerking komt. Ze leeft in dromenland. De andere prominente vrouw in de partij is Alexandra Ocasio-Cortez, bekend als AOC. Zij is populair bij links, intelligent en een sluwe politica, allemaal redenen waarom ze wel zal wachten om zichzelf nu te kandideren. Ze zal in 2028 proberen de senaatszetel van New York te veroveren op de onpopulaire en zeer bejaarde Chuck Schumer. En dan is er de man die zichzelf al in 2025 naar voren schoof: Gavin Newsom, de gouverneur van Californië. Over zijn anti-Trump campagne valt veel te zeggen, maar nog los van Newsoms karakterologische defecten, is het onwaarschijnlijk dat Amerikanen zich zullen laten inspireren door Californië. Zet Newsom maar bij de verliezers.

Van de anderen is Pete Buttigieg landelijk gezien de meest bekende. Hij brak door in 2020 tot de Biden-machine hem afstopte. Hij maakte, en maakt nog steeds, indruk als iemand die welsprekend een serieuze Democratische boodschap over weet te brengen. In de regering-Biden was hij minister van Transport, een belangrijke aanvulling op zijn CV dat tot dan toe enkel burgemeester van een middelgrote stad bevatte. Sindsdien is hij getrouwd met zijn mannelijke partner, hebben ze twee kinderen geadopteerd, en is hij verhuisd naar Michigan, een staat die voor Democraten belangrijk is. Buttigieg staat hoog in de peilingen maar dat is vooral een weergave van zijn naamsbekendheid. De vraag is of hij zijn jonge gezin aan een campagne wil onderwerpen waarin gay-bashing onontkoombaar zal zijn.

Een interessante kandidaat die zichzelf de afgelopen maanden naar voren schoof is Ralph Emanuel, voormalig chef staf van Obama en daarna burgemeester van Chicago en ambassadeur in Japan. Hij loopt al rond in New Hampshire, ook al is dat niet meer de eerste staat met voorverkiezingen. Hij is geïnteresseerd en laat dat ook weten; hij biedt hoop op een inhoudelijke campagne. Als persoon staat hij bekend als een keiharde, onaangename politicus, misschien niet de beste campagnevoerder. Inhoudelijk neigt hij naar het veilige midden, is daardoor al gauw kleurloos.

Relatief oude bekenden zijn Democratische gouverneurs met veel bestuurservaring. Andy Beshear van Kentucky werd twee maal gekozen in een diep Republikeinse staat en kan betogen dat hij bruggen kan slaan. Een zuiderling zou de Democraten goed van pas komen. Ook gouverneur JB Pritzker van Illinois zit op het vinkentouw, maar als puissant rijke ondernemer is hij niet de meest voor de hand liggende kandidaat in een partij waarin democratisch socialisme (voor ons Europeanen gewoon sociaal democratie) populair is. De derde gouverneur is Josh Shapiro van Pennsylvania. Hij was in 2024 een van de mogelijke kandidaten voor het vicepresidentschap, het niet gekozen worden ging hem niet goed af. En, laten we er niet omheen draaien, de afkeer van Israël, niet uit antisemitisme maar gebaseerd op het veroordelen van Israelisch beleid, maakt het lastig voor een Joodse Amerikaan om succesvol campagne te voeren.

Een veelbelovende kandidaat die u vast niet kent is senator Jon Ossoff van Georgia. Hij vertegenwoordigt een belangrijke staat die Democraten moeten winnen, is jong en welsprekend. Hij moet nog wel in november herkozen worden als senator, maar als dat is gebeurd, zit hij vol in de race. Ossoff is een van die jonge, relatief onbekende kandidaten die, als Obama in 2007, ineens enthousiasme kan losmaken.

Senatoren krijgen altijd aandacht, en vinden zichzelf altijd presidentiabel, vandaar dat ook Cory Booker van New Jersey (ook kandidaat in 2020) en oud-astronaut Mark Kelly van Arizona vaak genoemd worden. Voorlopig zijn ze niet relevant.

Het is vroeg in de campagne voor 2028 en niemand is er al echt meer bezig, afgezien van de ambitieuze lieden hierboven. En, zult u zeggen, moet er niet eerst een programma op tafel liggen dat richting geeft aan een partij die in 2024 met lege handen achterbleef? De manier waarop Amerika werkt, is dat de personen de agenda gaan bepalen. Natuurlijk zijn daarin belangrijke onderwerpen relevant, zoals gezondheidszorg, pensioenen, woningen en een beschaafd buitenlands beleid. Maar dat komt pas aan bod als er personen zijn die daarover gaan praten. Handenwringen is de Democraten eigen. En inderdaad moeten eerst nog maar eens de tussentijdse verkiezingen van 4 november gewonnen worden. Maar deze Democraten staan in de startblokken zodra die winst binnen is.